Deze Beierse Große Messe kun je proeven

Er is iets paradoxaals aan Mozarts Grote Mis in c-klein: de componist wist dit religieuze werk nooit te voltooien en toch is het een van zijn bekendste stukken. In deze Mis laat Mozart zich van zijn duisterste kant zien, waar hij in zijn vroegere werk vooral de vrolijkheid opzocht. Hij slaagt erin die twee uitersten te combineren: de Mis golft van klaagzang naar loflied zonder dat het al te manisch wordt. Misschien dat het daarom ook zoveel opgenomen is: je kunt als dirigent eindeloos spelen met die tegenstellingen.

Waarom Mozart het halverwege opgaf? Daar breken muziekwetenschappers zich al sinds zijn dood het hoofd over. De een beweert dat het kwam door het vroege sterven van zijn eerste zoontje, de ander zegt dat het ligt aan de opheffing van het muziekbroederschap waar hij het voor geschreven zou hebben. Welke verklaring ook waar blijkt, we moeten het doen met een halve mis. Het is meer een ruïne dan een monument: voor je er iets mee kunt moet de boel eerst flink gerenoveerd. Er ontbreken hele hompen van de tekst. Daarnaast legde Mozart nooit de laatste hand aan de orkestratie, waardoor er soms orkestpartijen halverwege een frase wegvallen.

De nieuwe chef-dirigent van het Chor des Bayerischen Rundfunks Howard Arman heeft het voor het uitkiezen: inmiddels bestaan er een stuk of tien versies met aangevulde orkest- en koorpartijen. Arman kiest in zijn opname met zijn eigen koor en de Akademie für Alte muziek voor de editie van Clemens Kemme. De Amsterdamse muziekwetenschapper probeert in zijn gloednieuwe ‘completering’ zo dicht mogelijk bij Mozarts stijl te blijven door verschillende stukken van zijn hand als model voor de orkestratie aan te houden.

Het lukt hemZo overtuigt zijn orkestratie van de serene sopraanaria Et incarnatus est. Daar moest Kemme het doen met alleen de baslijn en de melodie; de andere instrumenten vallen na acht maten weg. In zijn versie legt hij de lyrische melodie op een zacht bedje. De slepende strijkers tillen de melodie de hemel in.

Jammer dat Armans sopraan Christina Landshamer wat teleurstelt: haar onrustige vibrato laat je niet helemaal opgaan in de geliefde aria. Beter is ze wanneer ze vergezeld wordt door de rest van de solisten, in het vrolijke Benedictus bijvoorbeeld. In die finale mengen de solisten zich tot een uitgebalanceerd geheel: niemand gaat er met de buit vandoor en het is nog transparant ook.

De kracht van de opname zit echter vooral in de koordelen. Arman combineert de voordelen van het grote traditionele omroepkoor met de historische uitvoeringspraktijk van de Akademie für Alte Musik. Dat levert meer volume op dan een klein barokensemble meestal kan produceren, mét de precisie en zeggingskracht van authentieke instrumenten.

Armans tempi zijn lekker snel, waardoor de Mis een stoot energie krijgt. Het klagende openingskoor is gewijd maar niet langdradig, waar andere dirigenten soms in een slome soort eerbied blijven hangen. Armans interpretatie van het Qui tollis, het emotionele hoogtepunt van de Mis, benauwt. De strijkers van de Akademie für Alte Musik zijn met name lof waard. Hun uitgesproken frasering van de schokkerige motieven tilt maakt dit emotionele moment nog intenser.

Ook de complexe fuga’s van het Credo en het Sanctus schitteren. Kemme’s orkestratie, rijk aan koper, leidt niet af maar trekt je juist de actie in. Je merkt ook dat Arman een goede match is voor het koor, dat onder andere dirigenten nog wel eens modderig wil zijn. Onder Arman zing het zo nauwkeurig als een kamerkoor. Je kunt elk woord proeven.