Grandioos de plank mis

Boterf's Ludus Modalis levert mechanische Mariavespers

De Venetiaanse componist Claudio Monteverdi (1567–1643) wordt dan misschien niet zo universeel aanbeden als Beethoven, Mozart en Bach, aan zijn stukken zal het zeker niet liggen. Al zijn muziek, van opera tot kerklied, bruist van leven. Hij schakelt moeiteloos van gewelddadige klankuitbarstingen naar sensuele liederen waar je het heet van krijgt.

De Mariavespers zijn Monteverdi’s bekendste religieuze werk. Daarin smeedt hij de teksten van de katholieke avondmis tot een indrukwekkend stuk voor koor en orkest. Hij gaat uit van de traditionele Gregoriaanse gezangen, waar hij een weelde van andere melodieën omheenweeft, soms wel tien tegelijk.

Het Franse ensemble Ludus Modalis heeft een primeur te pakken: dirigent en tenorsolist Bruno Boterf kiest voor een alternatieve versie, waarin Monteverdi het hele orkest behalve de baslijn weglaat. Boterfs keuze is makkelijk te verklaren: hij richt zich normaal gesproken op de kerkmuziek van de Renaissance, waarin instrumenten nagenoeg geen rol spelen.

Het ligt helemaal niet voor de hand dat Boterf juist dit bombastische stuk op zich neemt. Hij is duidelijk gewend aan de meditatieve Renaissance-muziek. Componisten uit die tijd, zoals Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525–1594), schreven hun stukken aan de hand van het contrapunt. Dat is een verzameling regels over het combineren van verschillende melodische lijnen die tot doel heeft de muziek zo soepel mogelijk te laten bewegen. De componisten van de Renaissance gaan, met die regels in de hand, op zoek naar de klank van de engelenkoren: hun muziek klinkt sereen, puur, maar ook afstandelijk.

Monteverdi wilde daar niets van weten. Hij was voorvechter van de Seconda Pratica (tweede praktijk), een groep componisten die de theorie juist ondergeschikt wilde maken aan het overbrengen van de tekst. Gebruikte hij het woord pijn, dan wilde hij dat de muziek ook pijnlijk klonk. Als dat betekende dat hij de regels moest breken, dan was dat maar zo. Dat levert directe, lichamelijke muziek op die brutaal afsteekt bij de brave koorstukken van voor zijn tijd.

Door zijn ervaring met muziek uit de Renaissance kiest Boterf uitzonderlijk trage tempi, die de woorden uitsmeren. Daardoor verliest de tekst zijn impact, terwijl Monteverdi daar zelf juist op hamerde. Dat ligt ook aan het koor. De zangers zingen loepzuiver, maar ook wat mechanisch. Ze zetten de danserige ritmes overdreven aan, ongetwijfeld doordat ze de puntige melodieën niet gewend zijn en dat uit alle macht proberen te compenseren. Ook hier komt de tekst niet tot zijn recht: zelfs de bloeddorstige woorden van het Dixit Dominus (‘hij zal ruïnes vullen, koppen verpletteren’) zingt Ludus Modalis alsof dit het zoveelste Weesgegroetje is.

Boterf is ook tenorsolist. Zijn schokkerige zangstijl maakt het juist zo lyrische Nigra sum, deel van het erotische Hooglied, onrustig. Hij benadrukt bijna elke lettergreep. Jammer, want moet juist een rustpunt zijn na het stormachtige Dixit Dominus.

Natuurlijk zijn er ook momenten te vinden waarop het sleperige tempo werkt, bijvoorbeeld in het Pulchra es, een liefdesduet dat sopranen Magouët en Isshiki-Didier soepel en teder over weten te brengen. Maar de koordelen, waar Monteverdi’s enthousiasme juist van de noten moet spatten, klinken schijnheilig. Ze zijn gevangen in een klankideaal dat de plank grandioos misslaat. Het voelt als een familievriendelijke rap: vlees noch vis.

Het is natuurlijk niet nodig om de intenties van een componist op de letter te volgen – dat kan ook helemaal niet. Alle interpretaties trekken in zekere zin een eigen lijn, ook de soepele versie van The Sixteen (2014) en de monumentale opname van La Compagnia del Madrigale (2018). Maar Boterf is ook los daarvan niet gevoelig voor de geest van deze muziek; de hakkelige aria’s en doodgeslagen koorstukken zijn daar afdoende bewijs voor. Maar het is niet helemaal zijn schuld. Het blijkt gewoon geen gelukkig huwelijk: een Renaissance-dirigent en de componist die het contrapunt een lesje wilde leren.