'Op het podium laat je je tranen gewoon rollen'

Jaarlijks gaan zo’n honderdduizend Nederlanders naar een passie van Bach. Meer dan je zou denken, in ons ontkerkelijkte land. Kan zoiets religieus nog tranen trekken?

De handen van een man op de eerste rij hangen versteend in de lucht, zo’n halve meter uit elkaar. Een vrouw op het balkon houdt haar ogen dicht, als iemand die de doop gaat ontvangen. De musici hebben hun instrumenten al neergelegd en de dirigent heeft zijn armen afwachtend in zijn schoot. Maar in de zaal blijft het stil, alsof iemand het Concertgebouw op sterk water heeft gezet.

Een ontzaglijk geruis verscheurt de  stilte. „Zo mooi!” joelt een stoer meisje door het applaus heen. Ze draagt een overhemd met Mao-kraag en hippe sneakers en kan niet veel ouder zijn dan twintig. „De Johannes is zoveel vlotter dan de Matthäus. Daar wordt je altijd zo down van. Dit is gewoon spannend.”

Ze heeft het hier ook wel getroffen.  De passie-concerten van het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam staan bekend om hun fijnzinnige dramatiek. Maar ze zijn zeker niet alleen. Dit jaar hebben liefhebbers maar liefst 247 keer de kans een van de twee passies van Johann Sebastian Bach te bezoeken. Deze Witte Donderdagse uitvoering onder leiding van Daniel Reuss is top-of-the-bill. Dat zie je ook terug in de zaal. Die is bijna uitverkocht, op de achterste balkonstoelen na.

Bij binnenkomst lijkt het hier nog wel mee te vallen met de vergrijzing die de klassieke muziek teistert. Natuurlijk, bij de eerste klasse zitten opgedirkte, sterk geparfumeerde zestigers te kibbelen om de concertprogramma’s. Maar daaromheen waaiert het publiek uit, ouder naar jonger, witter naar gekleurder. Vooraan zit een getatoeëerde, bebaarde hipster zich te vergapen aan Bachs dramatische openingskoor.

De muziek heeft de krappe driehonderd jaar goed overleefd. Het onderwerp, het lijden en het sterven van Jezus Christus, heeft misschien aan relevantie verloren. Maar Bachs behandeling van de grote thema’s geeft een slordige honderdduizend mensen elk jaar een moment om na te denken over de dood, rouw en geweten. 

Ook nu zit het publiek op het puntje van zijn stoel. We leven mee met Petrus, die Jezus driemaal verloochent voor de haan kraait en daarna „bitter weent”.  Het koor zingt hem troostend toe, en wij voelen ons ook even geborgen.

Al onze betrokkenheid ten spijt doorspekt het publiek de Johannes met kuchjes, hikjes en niesbuien. Het zal het seizoen wel zijn. 

In de pauze sterken wij ons met de felbegeerde glazen wijn die op dienbladen door de foyers verspreid zijn. Een jonge vrouw grist het laatste glas wit als een ekster mee. Is ze gewend aan dit procédé? „Ja, ik ga wel eens naar klassieke concerten, maar dit is mijn eerste echte Johannes.”

In de tweede helft zie ik hetzelfde meisje haar bril afzetten tijdens de emotionele aria Es ist vollbracht. Jezus is dood. En zij huilt.

Hoe krijg je een publiek zo betrokken? Aan de artiesteningang staat een violiste die het ook niet precies weet. Ze ziet eruit alsof ze er zó nog een Johannes achteraan zou doen. „Ik zat gewoon lekker te spelen. Het Concertgebouw is heel intiem, veel fijner dan een zaal als De Doelen. Hier wordt het echt kamermuziek.” Ze heeft haar lange, grijs-blonde haar opgestoken. Dan zit het niet in de weg.

Wat vond ze het mooiste? „Ik ben groot fan van onze sopraan, Julia Doyle. Iedereen om me heen zat te snikken bij haar solo. Als je op het podium zit kun je dat natuurlijk niet weg zitten pinken. Dan laat je het gewoon rollen.”